Skip to main content
Het Lusthuys van Pater Peters
Het Lusthuys van Pater Peters
Object number2022.35.1

Het Lusthuys van Pater Peters

Date1688
attributed to (Dutch, baptized 1645, died 1708)
CultureDutch
MediumEtching and letterpress on paper
DimensionsPlate: 11 3/4 x 11 5/8 in. (29.8 x 29.5 cm)
Sheet: 22 1/4 x 16 1/4 in. (56.5 x 41.3 cm)
Credit LinePurchase, Betsy Mudge Wilson, class of 1956, Memorial Fund
On View
Not on view
Period17th c
Classification(s)
InscribedPrinted within the image plate, lower left corner [de Hooghe's pseudonym]: William Loggan f. & Oxoniæ. / Anno 1681.; lower center edge: SIC ITUR AD ASTRA SCILICET; within the text plate: Het LUSTHUYS van / PATER PETERS, / en der Jefu-wijten en Munniken, ontdekt door / EVSEBIVS en SIMPLICIVS:; on recto, by unidentified hand, throughout in brown ink: sequentially numbered 1-18; lower right in ink [horizontally]: date 1681; inscribed on printed label lower right corner in ink: [printed: Fr. M. No.] 2765
BibliographyLandwehr 1973 / Romeyn de Hooghe the etcher (p. 231); Muller 1863-1882 / De Nederlandsche Geschiedenis in Platen. Beredeneerde Beschrijving van Nederlandsche Historieplaten (2765b); Hale, Meredith McNeill. The Birth of Modern Political Satire: Romeyn de Hooghe (1645-1708) and the Glorious Revolution. Oxford, United Kingdom: Oxford University Press, 2020, p. 250 ProvenancePurchased from C.G. Boerner, New York, 2022
DescriptionA palatial room, in the center a dining table, laden with a peacock pie and other dishes, and various seated monks and clerics carousing, on the right Father Petre [no.1], one foot resting on a closed Bible, talking to a woman to his left representing Vanity [no.6], on his other side Envy holding a torch and eating a heart [no.17], a figure of Gluttony [no.10] placing a dish before an obese friar [no.2], in the background on the wall various scenes of Catholic misconduct; with engraved Latin title, inscriptions, and numbering 1-18, and with letterpress title and verses, including legend, in four columns. The text reads: Het LUSTHYTS van / PATERPETERS, / en der Jefu-wijten en Munniken, ontdekt door / EUSEBIUS en SIMPLICIUS: ; Eufebius. MOê van ftudeeren, en van werken, / Gaat Pater PETERS 't hart wat fterken; / Bezie, bezie, Simplicius, / Dees tweede Print; dan leeft hy dus. / Dit is zijn Lufthuis; dit zijn gaften; Dit, die fteets op zijn wencken paften; En dit zijn tafel, wel verzien. / Simp. Al zacht! dat kan zo niet gefchiên: / Wy moeten breeder hier affpreeken, / Zijt gy volleerd, ik ben een Leeken, / Onnoozel, en (in beeldwerk) blind / Gelijk een eerftgebooren kind; / En daarom doe ik niet als vraagen. / Eufeb. Wel aan; uw yver kan behaagen; / 'k Leer ook door uw onkundigheid. / Simp. En ik dwaal min als gy me leid. / Euf. Zie (1) Pater PETERS hier naar't leeven, / By d'eerfte Print zo wel befchreeven; / Die konftenaar, die fchrand're man; / Die hel en hemel roeren kan; / En't aardrijk 't onderfte opwaarts keeren: / Doch nu zal hy de borft wat fmeeren, / En fmullen, zonder hindernis. / Ziet gy die fchotels wel? Simp. Wel wis; / Zy zouden my licht meê bekooren: / Doch, laat ons uw verklaaring hooren. / Euf. De Paap knaagd nimmer aan een been; / Al wat hier ftaat is ongemeen; / De Klopjes moeften 't befte koopen, / Halle in, halle uit, voor PETERS loopen; / 't Gevogeld, riekende na geld, / Wierd, op den difch, hen voorgefteld: / Patrijzen, lijfters, quakkels, pauwen, / En fnoppen: die kan PETERS kauwen, / Dat vleefch is lekker, malfch, en kort, / Als Pater daer een kelk op ftort: / Doch 't moeft Rinkhouwer nektar weezen, / Of Hocchemer, alom gepreezen: / Het Franfche vocht geeft hy de fchop, / Daar trekt mijn heer de neus van op. / Simp. Zeg ons een weinig van zijn gaften. / Die (2) fchijnt een vyand van de Vaften, / Zo wel gedaan, zo vet, zo rond! / Euf. Ja, ja, die Paap is noch gezond: / De Prior van de Predikheeren / Groeit van het fmullen en het teeren; / En PETERS heeft hem aan zijn dis, / Om Freer Klement zijn bloedvrind is, / Die, goddeloos en ongebonden, / Zijn Koning, met een mes, dorft wonden: / Dus heeft hy deeze man van doen ; Als hy op 't Ketterdom zal woên; / 'k Wil zeggen als hy zal bekeeren, / En Romes Santendienft hen leeren. / Simp. Wat? (3) Munnik zit aan deeze kant? / Hy vat een kruik in de eene hand, / In de aêre een Miskelk. Euf. De offervaten / Kan PETERS niet met vreden laten: / Deez' fchenktze nu vol Rijnfche wijn, / En brengt het aan de Jacobijn. / Het is het hoofd der huichelaaren, / Verleidende elk met zijn gebaaren; / Een Farizeefche Franciskaan, / Heet op gezoden en gebraên, / En boordevol gefchonken bekers; / Een van broêr Krelis lafterpreekers, / Die buiten ftreng en heilig zijn, / Doch, volgens 't byfchrift, in de fchijn: / Al heeft hy daar de geeffel hangen, / En zyn getyboeck vol gezangen, / Geloof, hy bezigd 't een noch 't aêr, / Als om de fleur, en eens in 't jaar. / Simp. Wat zegje toch van deeze (4) priefter? / Euf. Ja, hier befchaamd de knecht zyn miefter. / Hy fpat citroenfop over 't hoen; / Dat weet een Kapucyn te doen. / Simp. Die van de bedelzak moet leven? / Word hem dit aen de deur gegeven, / In fteede van bevingerd brood / En vleefch, in zyn gewaande nood? / Euf. Weg, weg, dat zou de paap niet monden; / Dat geeft de lekkerbek zyn honden, / Of fmakt het ergens in een hok. / Simp. Maar deeze (5) heeft het wonder drok; / Hy lykt ( vervrolykt boven maaten) / Met dit naakt vroumenfch wat te praaten. / Euf. ' t Is ook een Vrouwenbroêr; hy brand, / En hunkerd naar het ledekant. / Simp. Na wel te drinken, wel te eeten, / Word zelden 't minnefpel vergeeten. / Euf. Het wil heel gaerne zaamen zyn; / En Venus aaft op fpijs en wyn. / Hy was ook plomper als een ezel / Dien klop of non, beggyn of quezel, / Niet, met'er poezelheid, bekoord, / Niet, met'er oogen, 't hart doorboord, / Niet, met'er mond, in min doet branden, / Niet, met'er boezem, watertanden. / Simp. 'K zie, 't kind gelijkt geheel zyn moêr, / En Romen aart na Babels hoer; / Beide even dartel, even weelig, / Onkuifch, en even overfpeelig: ; Maar (6) die op PETERS fchouders ruft, / Noem my die vrouw; voldoe myn luft; / Ik zieze in fierelyke kleêren; / Gehuld met glinfterende veeren, / En perelfnoer, en goude kroon. / Euf. Zo fteld de Hoogmoed zich ten toon: / Vriendin van Jefuwyt en Munnik, / Van Prior, Abt, Prelaat, Kanunnik, / Van Gardiaan en Generaal; / All' titels, klinkende in ons taal. / De ned'righeid is lang verdweenen. / Simp. Is zy in kloofters ooit verfcheenen? / Euf. Wel neen ze: want haar hierarchy / Word onderfteund van d'Hovaardy. / Simp. Wat doet dan Hoogmoed met den hengel? / Euf. Schynt deze Juffer niet een engel? / Lokt zy niet, met haar fchoonheid, aan? / Simp. Maar, waarom, op een juk te ftan? / Euf. Zijn niet de burgers haare flaven? / Ja, moet niet y der loopen, draven, / En haar ten dienft ftan, dag en nacht? / Beeft niet de wereld voor hun macht, / En zyn de vorften niet hun knechten? / Simp. 'k Bedank u voor dit onderrechten: / Maar is dit niet de (7) Nydigheid? / Dat haatend ondier? Euf. Wel gezeid; / Zie dat gedrocht eens herten eeten. / Simp. Wat doet zy hier? dat moeft ik weten. / Euf. Zy voegd wel by een Munniks kap. / De jalouzy, de vyandfchap, / En afgunft, zyn haar aagebooren, / Gelyk de Gramfchap (of de Toren) / Die (8) ginder fchopt, en fmyt, en flaat. / Simp. De Munnik is een goet zoldaat / Zoo 'k hoorde zeggen. Euf. De Kronyken / Die geven van haar daaden blyken: / Dus vindme, in Duitsland, zerk by zerk / Op graffteên, in kapel en kerk, / Verfierd met bifcoppen, en paapen / Geheel in 't ftaal, en in de wapen, / Ook is hun bloeddorft elk bekend, / De bronaêr van zo veel elend; / Te bitter voor de Proteftanten / Als zy quanfuis 't Geloof voort planten. / Simp. Wien houd de nyd hier buiten 't huis, / Met zoo'n geweld? Euf. O! dat gefpuis / Is buiten (9) PETERS hoofdkabaale; / Broodrotten, hongerige en kaale / Misleezers: een verbannen rot; / Met wien dit fchoon gezelfchap fpot. ; Simp. Maar kijk, wie over is geflaagen? / Euf. Die (10) juffrouw komt de koft aandragen; / Het is madame Gulfigheid, / Of Overdaad: Simp. Maar (11) deeze fchreid. / Euf. Gy mift: dat wyf heeft hoere parten: / Zy fchynt de Vrouwebroêr te tarten; / Zy lonkt en pinkoogd, onbefchaamt, / Gelyk het Dertelheid betaamd. / Vaar voort: gy zoud u licht vergaapen. / Simp. Wat kranke (12) vrouw zie ik hier flapen? / Och! ik heb met 'er deerenis. / Euf. Wat praatje toch avn krankheid; 't is / De Ledigheid; bekend in Cellen, / Konventen, Kloofters, en Kapellen, / Waar gy u keerd, en waar gy gaat, / Daar ftrooit dit luye beeft haar zaat. / Hiet valt de (13) Gierigheid aan 't fchraapen. / Simp. Zie, zie, hoe kan dat besje raapen! / Euf. Haar kift en beurfen zijn vol geld, / Van 't flechte volk haar toegeteld / Voor zielmis, oorbiecht, en aflaaten. / Al fchynt de Munnik 't goud te haaten, / Al raakt hy 't met de fnuytdoek aan, / O zielkens, 't zal met u wel gaan; / Nu zal u 't vagevuir niet deeren, / Men zal 't met roozenhoeikens keeren, / Reliquien, en heilig was, / Al waartge reeds verbrand tot as! / Simp. Hoe laat de Katholijk zich leiden, / Eufebius! doch, eerwe fcheiden, / Verlicht noch eens mijn onverftand: / Ei zeg, wat hangt daar aan de wand? / Wat zijn dit toch voor tafereelen? / Euf. Zie hier de (14) Sim zijn hoofdrol fpeelen, / Hy helpt heer Rijkaard uit de pijn / Met de allerlaatfte Medecijn. / De (15) Wolf, bedaard en ingebonden / Is hier een biechtvaêr; hoord de zonden. / Hier doemd de (16) Vos de dievery; / Doch, voegt zijn diefftal daar niet by. / Hier preekt (17) Francifus (wat een gauwen!) / Voor karpers, fnoeken, kabeljauwen, / En fteuren: want de minfte vis / De broêr van deeze Munnik is. / Hier zijn de (18) Jefuwijtfche harpyen / In Indien: Zie, hoeze ftryen / Voor 't Roomfche Katolijk geloof. / Zie wat een buit! zie wat een roof! / Maar, zacht: ik wil, met deefe guiten, / Dat Stookhuis en dit Lufthuis fluiten.
Object information is a work in progress and may be updated as new research findings emerge. To help improve this record, please email loebcollections@vassar.edu
De Vlugt van't Pausdom uit Engelant
Romeyn de Hooghe
1689
Culture: Dutch
Portrait de Gaspard Netscher
Ignaz Sebastian Klauber
1787
Culture: Dutch
Roberto Rosales
Diego Rivera
1930
Culture: Mexican
[Mailboxes in Maine]
Harry A. Packard
c. 1940
Culture: American
Odysseus and Circe
Salomon de Bray
c. 1650
Culture: Dutch
The Adventures of Ulysses: The Blinding of Polyphemus
The Master of the Johnson Assumption of the Magdalen
Early 1500s
Culture: Italian
The Adventures of Ulysses: The Battle with the Laestrygonians
The Master of the Johnson Assumption of the Magdalen
Nd
Culture: Italian
Indian Composition
Marsden Hartley
1914
Culture: American
Untitled Study (Women)
Willem de Kooning
c. 1948
Culture: American
Trompe l'oeil Still-Life of a Letter Rack
Domenico Remps
Nd
Culture: Italian, German
Possible Bibliography
Arnold Joseph Kemp
2015
Culture: American
Veiled Woman
Albert-Ernest Carrier-Belleuse
after 1868
Culture: French